Wat is buikvene trombose?

Een buikvene trombose is een bloedprop in een ader die vanuit de darm (mesenteriaal trombose) of milt (vena lienalis trombose) naar de lever (vena porta trombose of poortadertrombose) loopt, of een bloedprop in een ader van de lever zelf (Budd Chiari trombose).

De bloedprop blokkeert het bloedvat geheel of gedeeltelijk, waardoor patiënten zich meestal presenteren met buikpijn. Andere klachten kunnen zijn:

  • Koorts
  • Misselijkheid en overgeven
  • Vochtophoping in de buik (ascites)
  • Leverfalen

Poortadertrombose

Poortadertrombose is de meest voorkomende vorm van buikvene trombose: 4-21 per 100.000 mensen per jaar. Mesenteriaal trombose komt voor bij ongeveer 3 op de 100.000 mensen per jaar. Een trombose in een van de afvoerende vaten van de lever is de meest zeldzame vorm van buikvene trombose. Dit komt maar bij 2 op de 1.000.000 mensen per jaar voor.

Treft vooral ernstig zieke patiënten

Buikvene trombose komt met name voor in patiënten met kanker of een goedaardige tumor in de buik, patiënten met een leverziekte, patiënten met bijzondere vormen van tromboseneiging of een acute ontsteking in de buik. Ook wordt het vaker gezien na grote buik operaties. Helaas is er bij veel van deze risicofactoren een hoog risico op bloedingen, vooral als antistollingsmedicatie wordt gestart. Daarom is een nauwkeurige diagnose erg belangrijk.

De diagnose ‘buikvene trombose’ kan gesteld worden met behulp van echografie, CT-scan of MRI-scan. Afhankelijk van de klachten van de patiënt zal één of meerdere van deze testen worden uitgevoerd. In sommige gevallen (tot 1 op de 3)  wordt de buikvene trombose per toeval gevonden. Dat wil zeggen dat een scan of echo die wordt gemaakt om een andere reden, aanwijzingen laat zien voor een bloedstolsel. Omdat het gebruik van scans in het algemeen sterk toeneemt, wordt de diagnose steeds vaker bij toeval ontdekt.

Behandeling van buikvene trombose

De behandeling van buikvene trombose bestaat uit antistollingsmedicijnen om nieuwe stolsels te voorkomen. Soms is een ziekenhuisopname of zelfs een operatie nodig. De antistollingsbehandeling begint meestal, via de trombosedienst, met heparine (via een infuus of via prikken onder de huid) gevolgd door een vitamine K antagonist (cumarine).

Omdat het nog niet zeker is dat de nieuwe antistollingsmiddelen (DOACs) ook gebruikt kunnen worden, zal de arts behandeling hiermee meestal ook niet voorstellen. Soms is er grote twijfel over het nut van antistollingsbehandeling, met name bij per toeval gevonden trombose. In dat geval bespreekt de arts de voordelen en nadelen van behandeling met de patiënt, waarna er gezamenlijk een beslissing gemaakt wordt of antistollingsbehandeling wordt gestart of niet.

Nieuwe scantechniek

Momenteel wordt er onderzoek gedaan naar een nieuwe scantechniek die het mogelijk maakt om onderscheid te maken tussen nieuwe of oude trombose. Lees hier het persbericht van dit onderzoek. De onderzoekers hopen hiermee beter vast te kunnen stellen welke patiënten geen antistollingsbehandeling hoeven te ondergaan.