Antistollingsmiddelen

Als u trombose heeft, dan krijgt u medicijnen die de stolling van uw bloed remmen: zogenaamde antitrombotica of antistollingsmiddelen, in de volksmond vaak bloedverdunners genoemd. Deze middelen voorkomen dat trombose ontstaat of dat trombose groter wordt. Deze medicijnen ruimen trombose niet op. Dat moet het lichaam zelf doen. Dat kan bij een groot stolsel soms wel enkele maanden duren.

Acute trombosebehandeling: heparine of laagmoleculair gewichtsheparine

Bij een gevaarlijke bloedprop krijgt u direct heparine of laagmoleculair gewichtsheparine toegediend. Deze middelen worden onder de huid ingespoten of via een infuus toegediend en werken direct antistollend. Levensbedreigende trombose wordt soms behandeld door middel van trombolyse. Dan wordt een krachtig ontstollend middel ingezet om snel de bloedsomloop te herstellen. Daarvoor worden onder andere urokinasestreptokinase en r-TPA gebruikt.

Lange termijn, milde antistolling: bloedplaatjesremmers

De arts schrijft bloedplaatjesremmers voor als u bijvoorbeeld een lichte erfelijke aanleg voor trombose hebt of bij een relatief laag risico op trombose. Bloedplaatjes (trombocyten) zijn kleine cellen in het bloed die bij een wondje aan elkaar plakken en zo een bloeding stelpen.

Lange termijn, zwaardere antistolling: VKA’s of DOACs

Na de eerste behandeling, kan uw arts andere antistollingsmiddelen voorschrijven in de vorm van tabletten of capsules. Daarbij is keuze uit Vitamine K remmers (ook wel cumarines genoemd, of VKA) en de Directe Orale Anticoagulantia (DOAC’s), voorheen Nieuwe Orale Anticoagulantia (NOAC’s). De Vitamine K remmers remmen zoals de naam al zegt de werking van vitamine K, die nodig zijn voor de aanmaak van stollingsfactoren in het bloed. Vitamine K remmers zorgen er zo indirect voor dat uw bloed minder kans krijgt om te stollen. Als u Vitamine K remmers slikt, gaat u voor controles naar een trombosedienst in uw buurt. Directe Orale Anticoagulantia (DOACs) hebben direct invloed op een specifiek stollingseiwit en hoeven niet te worden gecontroleerd door de trombosedienst.

Deze middelen worden ook vaak voorgeschreven om te voorkomen dat u een trombose krijgt:

  • bij boezemfibrilleren
  • na het plaatsen van een kunstklep
  • bij pijn op de borst
  • na een hartinfarct
  • na een TIA of herseninfarct
  • bij boezemfibrilleren
  • bij een trombosebeen of etalagebenen
  • bij een longembolie
  • als u lang op bed ligt

Interacties met pijnstillers

Pijnstillers zoals ibuprofen of diclofenac (NSAID’s; Non-Steroidal Anti-Inflammatory Drugs) gaan niet samen met het slikken van antistollingsmiddelen. Deze middelen geven namelijk een hoger bloedingsrisico. Gebruik daarom niet op eigen initiatief pijnstillers en ontstekingsremmers zoals aspirine, diclofenac, ibuprofen of voltaren. Overleg altijd met uw arts. In de patiëntfolder vindt u een uitgebreidere lijst met interacties met andere medicijnen.

De Trombosestichting ondersteunt onderzoek naar een betere behandeling. Lees hier de laatste ontwikkelingen en steun ons werk