Behandeling van armtrombose

Prof. dr. Gert Jan de Borst is vaatchirurg, onderzoeker en opleider bij het UMC Utrecht. Hij is onder andere gespecialiseerd in de behandeling van armtrombose. Lees hier zijn interview.

Armtrombose komt vaak voor bij jonge, sportieve patiënten.

De gemiddelde patiënt met armtrombose is een sportieve, sterke man van rond de 30. Denk aan een topsporter, schilder of stukadoor. Veel boven je macht werken, zoals plafonds schilderen, vergroot het risico. Het zijn vaak mensen in de kracht van hun leven. Prof. dr. De Borst is juist ook daarom gedreven op zoek naar de beste behandeling.

Help hem mee 

Mensen met een armtrombose komen meestal eerst bij de internist. De standaardbehandeling is poliklinisch met tabletten (antistollingsmiddelen), waarna je naar huis gaat met het advies nog 6 maanden antistolling te blijven nemen. Bij een armtrombose is die behandeling mogelijk niet altijd de beste.

Lees hier alles over trombose arm

Operatie van armtrombose

Vaatchirurg De Borst: “Sinds een jaar of tien zijn er nieuwe, chirurgische behandelingen bij armtromboses. Bijvoorbeeld een katheter die een stolsel eigenlijk opzuigt. Ook kun je lokaal een oplosmiddel aanbrengen. Daarnaast is de ader soms beklemd. Als je bijvoorbeeld je arm omhoog doet, ontstaat een soort piramide van het sleutelbeen, de ribbenboog en de vaat-/zenuwbundel. Je ziet dan soms in een bepaalde houding een obstructie, zoals een stuk bot. Dat kan zorgen voor een afsluiting en schade. Met een operatie neem je dan de oorzaak van de trombose definitief weg. Duidelijkheid en tijd zijn daarbij dé succesfactoren.” Ofwel: hoe duidelijker de oorzaak van de trombose te zien is en hoe sneller je die obstructie van het vat weghaalt, hoe groter de kans op herstel met weinig restklachten.

Tijd en duidelijkheid

Die factor tijd is nu vaak nog een probleem. Omdat patiënten verder jong en fit zijn, denken artsen niet altijd direct aan armtrombose. En als de diagnose wel is gesteld, begint vaak standaard het traject met antistolling. Pas bij een tweede trombose komt dan de optie chirurgie op tafel. De spreekkamer van De Borst is dan het eindstation na een lange zoektocht.

Een trombosearm behandelen is een puzzel

De Borst benadrukt het een paar keer: je kunt chronische klachten niet altijd voorkomen en het is niet zo dat andere artsen hebben liggen slapen: “Een trombosearm behandelen is echt een puzzel. Bij chronische klachten lost een operatie meestal niet alles op. Je verkleint dan wel het risico op een nieuwe trombose, maar de schade aan de aderen kun je niet altijd herstellen. Grofweg één op de drie patiënten knapt echt op. De anderen merken geen effect  of krijgen zelfs nieuwe ongemakken, zoals last van een litteken. Ook is er natuurlijk een klein risico op nabloedingen. Daar moet je duidelijk over zijn.”

Betere diagnostiek

Het beste is dus om chronische klachten te voorkomen: “Ik ben blij dat we steeds meer samenwerken met internisten. De richtlijnen zijn nu vaak tegenstrijdig. Kom je bij de internist, dan krijg je bloedverdunners. Kom je bij de vaatchirurg, dan krijg je eerder een operatie. Als chirurg vind ik het natuurlijk prima als antistolling voor een patiënt de beste en enige oplossing is, maar nu kunnen we soms niet goed genoeg kunnen onderbouwen waarom we als behandelaars bij de ene patiënt het ene of bij de andere patiënt het andere doen.”

De Borst pleit voor een gezamenlijke aanpak: “Internisten en vaatchirurgen zouden bij de eerste trombose al zo snel mogelijk samen moeten kijken en bespreken wat het beste beleid is. We staan nu klaar om een grote landelijke studie uit te voeren waarin we kijken wat het effect is van die aanpak. Deze Nederlandse studie zou uniek zijn in de wereld. We vergelijken daarin de behandeling met antistolling met de chirurgische behandeling bij patiënten. We willen bijvoorbeeld ook kijken wat het oplevert als je direct MRI-techniek gebruikt in plaats van de standaard echo. Met MRI kun je veel beter de oorzaak van een trombose opsporen. Je moet dan ook kijken wat je ziet met de armen omhoog. Zijn er dan inderdaad obstructies, zoals spierweefsel of bot dat in de weg zit?”

Minder medicijnen

Door sneller te zien of er een duidelijke oorzaak is, kun je ook sneller afwegen of een chirurgische ingreep beter zou kunnen zijn dan antistolling: “Bloedverdunners hebben risico’s, dus die wil je niet zomaar voorschrijven, zeker niet bij jonge mensen. Laatst kwam er een jongen van 18 binnen, die nog niet lang geleden een armtrombose had gehad. We konden direct een ingreep doen die de obstructie wegnam. Hij hoeft maar heel even bloedverdunners te gebruiken en waarschijnlijk de rest van zijn leven niet meer.”

Er zijn al wel studies gedaan naar het verschil tussen een behandeling met bloedverdunners of een operatie. Na 6 maanden bloedverdunners, krijgt volgens die studies zo’n 25% weer klachten. Een deel krijgt weer een trombose, een deel krijgt het post-trombotisch syndroom. Dit betekent dat je blijvend last van je arm houdt, door schade aan de aderen. Na een chirurgische ingreep zouden maar 4 tot 10% van de patiënten weer klachten krijgen. De Borst: “Die eerste studies zijn helaas niet van de beste kwaliteit. Ze keken vooral terug. Het is beter om patiënten vanaf nu in een onderzoek mee te nemen en te blijven volgen. Patiënten zoals de 18-jarige jongen waar ik heb net over had, moeten we vanzelfsprekend blijven volgen. Blijft het inderdaad zo goed met hem gaan? Daar ben ik echt benieuwd naar.”

Lees verder: Hoe herken je een armtrombose?

Wat is uw ervaring?

Heeft u een armtrombose gehad? Heeft u bijvoorbeeld de afweging moeten maken tussen wel of geen operatie? Dr. De Borst en de Trombosestichting zijn benieuwd naar uw ervaringen. De Borst: “Als onderzoeker denk ik na over zaken als vaten en doorstroom. Een patiënt denkt misschien helemaal niet aan die ene ader, maar aan de vraag: hoe kan ik straks weer sporten?

Wat voor patiënten belangrijk is, dát is waar wij ons in ons onderzoek ook op moeten richten. Daarom is input altijd welkom.” Stuur uw reactie in.