Wat is trombose?

Bij trombose raakt een bloedvat verstopt door een bloedstolsel. Als dit stolsel losschiet, kan het in de longen terecht komen. Dat heet een longembolie.

  • Sluit een bloedstolsel een ader (een vene) af, dan noemen we dat een diep veneuze trombose. Dit gebeurt vaak in de benen, dan ontstaat een trombosebeen, maar een stolsel kan ook in de longen terecht komen, dat heet een longembolie. Per jaar krijgen ongeveer 30.000 mensen een veneuze trombose. Een veneuze trombose kan leiden tot de chronische aandoening PTS (posttrombotisch syndroom).
  • Een diep veneuze trombose ontstaat in de dieper gelegen aderen. Deze aderen lopen onder de spieren door richting het hart en de longen. Via verbindende bloedvaten stroomt zuurstofarm bloed naar de diepe aderen. Als op deze plek een stolsel ontstaat, dan wordt dit een diep veneuze trombose (DVT) genoemd.
  • Sluit een bloedstolsel een slagader af, dan is er sprake van arteriële trombose. Gevolgen zijn o.a. een hartinfarct of herseninfarct. Het kan ook aanleiding geven tot de chronische aandoening PAV (perifeer arterieel vaatlijden).

Trombose is één van de belangrijkste doodsoorzaken in Nederland. Eén op de vier mensen in Nederland overlijdt aan de directe of indirecte gevolgen van veneuze of arteriële trombose.

De oorzaken

Trombose ontstaat als het systeem van stolling en antistolling uit balans is. In ons bloed zitten stoffen die zorgen voor stolling: als we een wond maakt het lichaam snel een stolsel aan bij het wondje zodat het bloeden stopt. Op dat moment stopt ook de stolling en wordt een overtollig stolsel weer afgebroken. Zo blijft het systeem van stolling en antistolling in evenwicht. Bij trombose gaat het mis in dit systeem: het bloed stolt terwijl er geen wond is of het blijft stollen ook als de wond al dicht is. Er zijn drie factoren die daarbij een rol spelen: de toestand van de vaatwand, de toestand van de bloedstroom en de samenstelling van het bloed. Deze drie factoren worden de Trias van Virchow genoemd.

Als een van deze drie factoren verandert, neemt het risico op bloedstolsels toe:

  1. De wand van een bloedvat is aangetast, bijvoorbeeld door een operatie of verkalking, kan makkelijk een stolsel ontstaan aan de vaatwand.
  2. Het bloed langzamer stroomt door lang stilzitten of liggen, is de kans groter dat er een stolsel ontstaat.
  3. De samenstelling van bloed verandert, door bijvoorbeeld zwangerschap of ziekte, dan kan eerder een stolsel ontstaan.

Bekende risicofactoren voor trombose zijn:

Trombose ontstaat sneller bij een optelsom van factoren, bijvoorbeeld als iemand met een erfelijke afwijking een operatie moet ondergaan en daarna bedrust moet houden. Of wanneer iemand met een erfelijke afwijking in het bloed begint met de anticonceptiepil. Lees meer over de oorzaken van trombose.

Herkennen van trombose

  • Trombosebeen of trombose arm: plotselinge zwelling van het been of arm, de huid is rood- of blauwachtig (en heel soms juist wit) en glanzend; het been of arm kan zwaar aanvoelen of er kan sprake zijn van een krampachtige of stekende pijn.
  • Longembolie: kortademigheid, vooral als deze plotseling optreedt. Pijn tussen de schouderbladen. Niet goed liggend kunnen slapen. De symptomen lijken op die van een hartinfarct. Daarom wordt een longembolie vaak in eerste instantie gemist.

De symptomen van een trombose zijn onder meer afhankelijk van de plek in het lichaam waar de trombose optreedt. Hier vindt u een uitgebreide lijst met klachten de kunnen wijzen op trombose in de longen, trombose in het hart, trombose in de hersenen.

Diagnose

De diagnose trombose is soms lastig te stellen. In het ziekenhuis kunnen bij een vermoeden van een diep veneuze trombose of longembolie de volgende onderzoeken worden gedaan:

  • echografie of duplexonderzoek: hierbij wordt gekeken naar de snelheid en richting van de bloedstroom en het zicht van het bloedvat
  • D-dimeerbepaling: bloedonderzoek naar specifieke deeltjes die vrijkomen bij stolselvorming
  • longscan bij vermoeden van een longembolie
  • angiografie, waarbij met contrastvloeistof wordt gekeken naar de doorstroming van bloed in een vat

De behandeling

De behandeling van trombose is in eerste instantie gericht op het voorkomen van een longembolie of complicaties van een trombosebeen. Er wordt gestart met antistollingsmiddelen. Deze middelen lossen een stolsel niet op. Wel helpen ze om de gevolgen te beperken en het risico op een tweede trombose een stuk verkleinen. Lees meer over de behandeling van trombose.

Gezonde bloedvaten

Er zijn dus veel verschillende oorzaken van trombose, waarbij pech en geluk een grote rol spelen. Toch ontstaat trombose minder snel als de vaten gezond zijn. Een gezonde leefstijl helpt daarbij: niet roken, gezond eten en veel bewegen dragen hieraan bij.