Home
Home
Doneer nu!

De gevolgen in de hersenen

Hersenembolie en herseninfarct: 
Als een stukje van een stolsel of een stolsel loslaat in het hart of in de halsslagader kan dit vastlopen in de verderop gelegen slagader van de hersenen. We spreken dan van een hersenembolie.

Als een embolie een slagader van de hersenen afsluit, kan dit aanleiding zijn voor een herseninfarct. Afhankelijk van de grootte van het bloedvat en de plaats in de hersenen waar het stolsel vastloopt, doen zich verschijnselen voor als bewusteloosheid, lichte tot ernstige spraakstoornissen of verlammingen. Indien de gevolgen zich binnen 24 uur herstellen noemen we het een TIA. Bij blijvende gevolgen spreken we van een CVA.

Als de patient direct na start van de symptomen naar het ziekenhuis komt, kan deze tot 4,5 uur na het ontstaan van de klachten met 'intraveneuze trombolyse' worden behandeld. Dit is een stolseloplossend medicijn dat via een infuus wordt gegeven. De oorzaak van de hersenembolie bepaalt welk antistollingsmiddel de neuroloog zal voorschrijven. Een veelvoorkomende oorzaak voor een hersenembolie is de hartritmestoornis boezemfibrilleren. Ter voorkoming van een nieuwe trombose in de hersenen kan de neuroloog aspirine dan wel antistollingsmiddelen als acenocoumarol of fenprocoumon voorschrijven.

 

Een TIA en een CVA zijn vormen van trombose in de slagaderen ('arteriële trombose'). Een trombose kan zich echter ook voordoen in de aderen van de hersenen ('veneuze trombose'). We spreken dan van een 'cerebrale sinustrombose', kortweg sinustrombose. Deze vorm van trombose wordt ook wel een trombosehoofd genoemd. Er zit dan een bloedprop in de afvoerende vaten van het hoofd. Sinustrombose komt vooral voor bij jonge, voorheen vaak gezonde mensen. Met name jonge vrouwen worden door deze aandoening getroffen. Alhoewel de klachten van een sinustrombose sterk kunnen lijken op die van een TIA of CVA, is de behandeling geheel anders. In de acute fase worden patiënten met sinustrombose behandeld met heparines of laagmoleculair gewichtsheparines en daarna met antistollingsmiddelen als acenocoumarol of fenprocoumon. Eventuele complicaties van deze vorm van trombose (bijvoorbeeld epilepsie) behandelt men afzonderlijk. Met de huidige behandeling herstellen 8 van de 10 patiënten volledig (d.w.z.: geen beperkingen meer in het dagelijks leven). Lees hier meer over de klachten die kunnen optreden bij sinustrombose.